Ouderbetrokkenheid

Ouderbetrokkenheid

Uit internationaal onderzoek blijkt dat de ouderbetrokkenheid bij leerlingen uit minder kansrijke omgevingen lager is, terwijl juist deze leerlingen gebaat zijn bij een hoge mate van ouderbetrokkenheid. Een lagere ouderbetrokkenheid is het grootste deel van de tijd niet het gevolg van onwil, maar van onmacht en onzekerheid. Sommige ouders weten niet hoe ze betrokken kunnen zijn bij de schoolloopbaan van hun kind en/of geloven niet dat zij in staat zijn een belangrijke rol te vervullen. Of, ze hebben vanwege de omstandigheden waarin ze leven geen ruimte of tijd om zich hier goed in te verdiepen.

Leerkrachten en pedagogisch medewerkers zijn zich soms niet voldoende bewust van de onmacht die ouders ervaren en doen erg hun best om een ouder te betrekken zonder dat het enig resultaat oplevert. Dit kan leiden tot een verkeerde inschatting over de mate waarin ouders betrokken willen worden bij de schoolloopbaan van hun kind: leerkrachten nemen onterecht aan dat bepaalde type ouders niet betrokken willen worden, ouders hebben het gevoel dat ze geen rol van betekenis kunnen spelen. Zonde, want leerkracht, leerling én ouder profiteren van een prettige en gelijkwaardige samenwerking.

Wat is de rol van het onderwijs hierin?

Het idee dat ouders met een lagere sociaaleconomische status hun kinderen niet kunnen of willen bijstaan zorgt voor gemiste kansen. De groep ouders met een lagere sociaaleconomische status is divers en ook hier verschilt de mate van betrokkenheid sterk per ouder. Er is niet altijd sprake van een lage thuisbetrokkenheid bij kinderen uit kansarme milieus en met beperkte middelen kan er een fijne leeromgeving gecreëerd worden. Daarbij is thuisbetrokkenheid meer dan alleen ondersteunen met schoolwerk, ook verwachtingen en interesse spelen hierbij een grote rol. Er is vaak ruimte om moeilijk te bereiken ouders te betrekken, maar deze wordt niet altijd volledig benut.

Wat kan het onderwijs doen?

Het is dus belangrijk om juist te investeren in het contact met ouders die moeilijk te bereiken lijken, zelfs als dit tegen je intuïtieve gevoel ingaat. Maar hoe doe je dit? Het begint allemaal met hebben van voldoende kennis over jezelf en de ouders waarmee je contact hebt. Daarna volgt het hoog leggen van de lat: wat als je uitgaat van wat er zou kunnen zijn in plaats van wat er niet is?

Kennisbank

Op de website gelijkekansenindeklas.nl is een kennisbank te vinden met allerlei achtergrondinformatie.

Onderzoek NRO

Het NRO heeft interessante publicaties over ouderbetrokkenheid uitgebracht.

Vragen en antwoorden over ouderbetrokkenheid

Wat zijn de oorzaken voor de ‘onderwijsachterstanden’ en wat kunnen we eraan doen?

De verschillen in SES (Sociaal Economische Status) dragen bij aan de risicofactoren bij onderwijsachterstanden. Een grote meerderheid van de WRS-ouders heeft een lage SES en veel algemene verklaringsfactoren gelden dan ook voor deze groep, zoals een minder rijke cognitieve en taalstimulering thuis, meer sociaal-economische problemen (armoede en schuldenproblematiek) en meer chronische gezinsstress en langdurig in ‘een overlevingsstand’ verkeren. Bij een aantal WRS-ouders komt daar echter nog een aantal andere specifieke (cultureel-historische) factoren bovenop:

  • een geringe onderwijstraditie en minder belang hechten aan onderwijs. Onderwijs is ook minder ‘nodig’ voor veel gekozen beroepen/arbeidsmarktsectoren;
  • soms intergenerationele werkloosheid en uitkeringsafhankelijkheid;
  • een sterke vrees voor cultuurverlies en vaak een traditie en sociale druk om familiezaken sterk te prioriteren boven bijvoorbeeld onderwijs;
  • een wederzijds wantrouwen en onbegrip van ‘burgers`, onderwijs- en overheidsinstellingen en WRS-ouders, waarbij discriminatie een rol speelt.

Het volgen van basisonderwijs en het bezoeken van een consultatiebureau na een bevalling, zijn inmiddels vanzelfsprekend. Maar dat geldt niet voor het deelnemen aan (niet-verplichte) voorzieningen als voorschoolse educatie, opvoedingsondersteuning en/of ouderprogramma’s. En dat zijn nu juist de voorzieningen en aanpakken waarmee we in Nederland ‘onderwijsachterstanden naar SES’ proberen te verminderen.

Hoe is de deelname aan voorschoolse educatie?

De deelname aan de voorschoolse educatie door WRS-peuters is relatief laag. In Nederland wordt een 100% bereik van ‘doelgroeppeuters’ nagestreefd, met een deelname van 16 uur per week (tegen geringe kosten of gratis). In veel gemeenten wordt een deelname hoger dan 80% bereikt. Voor WRS-peuters ligt dat waarschijnlijk echter veel lager. Bij de jongste generatie ouders komt het voor dat kinderen naar een voorschool worden gebracht, maar dit is een minderheid. Opvang en zorg voor kinderen wordt grotendeels binnen de eigen groep gedaan, het gezin, de familie, de buren. Dit is ook de overheersende norm. Het ’wegplaatsen’ van je jonge kind bij ‘onbekenden’ in een voorschool/kinderopvang wordt als ongepast ervaren.

Waar draagt voorschoolse educatie aan bij?

Voorschoolse educatie draagt echter goed bij aan de ontwikkeling en stimulering van jonge kinderen. Als er niet aan wordt deelgenomen kan dat leiden tot een mindere taalstimulering, spelontwikkeling, cognitieve stimulering en dergelijke. Ook vanuit het oogpunt van inclusie en verbinding met andere kinderen en gezinnen wordt deelname aan voorschoolse educatie gestimuleerd.

Wat kun je als professional doen?

Het is belangrijk om uitleg en informatie te geven over het belang van voorschoolse educatie, te laten zien en ervaren dat kinderen hier veel plezier hebben en het bijdraagt aan een succesvolle start op het basisonderwijs. Daarbij is wederzijds vertrouwen van belang en respect voor elkaars zienswijzen. Het betrekken van sleutelfiguren binnen de familie is daarbij kansrijk.

Hoe is de deelname van ouders van jonge WRS-kinderen aan voorzieningen?

In bovenstaande tabel wordt de deelname van ouders van jonge WRS-kinderen aan voorzieningen weergegeven. Veel WRS-ouders hechten aan de zorg en opvang van jonge kinderen in eigen kring. Voor opvoedingsadviezen belt men niet naar het lokale ‘Opvoedpunt’ en naar jeugdzorg is er vaak het nodige wantrouwen. Dit heeft als nadeel dat belangrijke ontwikkelingsstoornissen niet of pas laat worden gesignaleerd en dat complexe opvoedingsvraagstukken vastlopen of escaleren. Dit zijn situaties die met professionele hulp voorkomen of verzacht hadden kunnen worden. Meer leest u in de notitie ‘Gelijke onderwijskansen en kinderen van woonwagenbewoners, Roma en Sinti (0-6 jaar).

Lees de notitie
Wat is het belang van opvoedingsondersteuning?

Veel WRS-ouders hechten aan de zorg en opvang van jonge kinderen in eigen kring. Voor opvoedingsadviezen belt men niet naar het lokale ‘Opvoedpunt’ en naar jeugdzorg is er vaak het nodige wantrouwen. Dit heeft als nadeel dat belangrijke ontwikkelingsstoornissen niet of pas laat worden gesignaleerd en dat complexe opvoedingsvraagstukken vastlopen of escaleren. Dit zijn situaties die met professionele hulp voorkomen of verzacht hadden kunnen worden. WRS-kinderen groeien net als alle andere kinderen op in een tijd met veel meer prikkels, met veel online-tijd en – mogelijkheden, minder lichaamsbeweging en veel makkelijk voorhanden ongezonde voeding. Een situatie die voor alle ouders nieuwe vraagstukken oproept. Het informeren en delen van (wetenschappelijke) kennis hierover en het benutten van effectieve aanpakken en ondersteuning, is voor alle ouders nuttig en van belang.

Welke vaardigheden hebben ouders nodig om de taalontwikkeling van hun jonge kinderen te stimuleren?

In de literatuurstudie ‘Taalstimulering en cognitieve stimulering bij kinderen van 0 tot 2,5 jaar’ (Vinci 2021) wordt beschreven dat uit onderzoeken enkele kernvaardigheden naar voren komen die ouders kunnen inzetten om de taalontwikkeling van hun jonge kind te bevorderen.

Oudervaardigheden die de ontwikkeling van jonge kinderen (0-2,5 jaar) bevorderen:

  • veel taal aanbieden
  • de aandacht van het kind volgen
  • ingaan op datgene waar het kind aandacht voor heeft
  • beurtwisselingen teweeg brengen
  • ‘babytaal’ gebruiken (overdreven intonatie, eenvoudige zinnen, veel herhaling)
  • begripsontwikkeling stimuleren (door voorwerpen en handelingen in de nabijheid van het kind te benoemen)
  • taal ondersteunen met gebaren
  • (rond 2,5 jaar) niet-contextgebonden taal (‘decontextualized talk’) voorlezen.

Voorlezen is een activiteit die bij uitstek geschikt is om de taalontwikkeling van jonge kinderen te stimuleren. Daarbij zijn, in aanvulling op de bovenstaande vaardigheden, de volgende vaardigheden van belang:

  • aanwijzen
  • labelen (een woord koppelen aan datgene waar ouder of kind naar wijst)
  • commentaar geven
  • feedback geven
  • aandacht trekken
  • vragen stellen (over wat er te zien is).
Baby’s voorlezen? Wat bereik je daarmee?

Voorlezen is, juist ook voor baby’s, heel goed voor de taalontwikkeling. En je kunt er niet vroeg genoeg mee beginnen, blijkt uit onderzoek. Je kunt zelfs al beginnen met voorlezen bij baby’s rond de 3 à 4 maanden. Wanneer je er op vroege leeftijd mee begint, heeft het kind daar namelijk op latere leeftijd nog steeds profijt van.

5 voordelen van voorlezen bij baby’s

  1. Kinderen leren dat lezen leuk is, waardoor ze later zelf ook meer gaan lezen.
  2. Voorlezen aan baby’s met een ‘moeilijk’ temperament heeft een positief effect.
  3. Er ontstaat een sterkere band tussen de volwassene en het kind door voorlezen.
  4. Kinderen die regelmatig worden voorgelezen hebben op latere leeftijd een grotere woordenschat.
  5. Voorlezen aan jonge kinderen heeft blijvende positieve effecten op de leesprestaties en leesmotivatie.

(Bron: blog: Early Years blog | Baby’s voorlezen? Wat bereik je daarmee?)

Vraag stellen?

Wilt u een vraag stellen over ouderbetrokkenheid? Vult u dan het contactformulier in.

© 2022 OWRS. Realisatie door 2manydots