Achtergrond doelgroepen
Woonwagenbewoners
Woonwagenbewoners zijn van oorsprong afkomstig uit Nederland en omringende landen. Hun geschiedenis begon in de gouden eeuw, toen zij door Nederland reisden om te voorzien in hun bestaan. Zij werkten als seizoenarbeiders, handwerkslieden en kooplui en fungeerden tevens als 'nieuwsoverbrengers'. In de loop van der eeuwen verminderde de behoefte aan hun diensten en raakten zij steeds meer in een maatschappelijk, sociaal en geografisch isolement. Ze werden letterlijk en figuurlijk verdrongen naar de rand van de samenleving. In de twintigste eeuw werd het trekkend bestaan van woonwagenbewoners steeds meer ingeruild voor een vaste standplaats.
De meeste woonwagenbewoners wonen op kampen met circa vijf tot tien wagens. In enkele gemeenten bestaat nog een groot woonwagencentrum met meer dan 50 woonwagens. De familieband binnen de woonwagengemeenschap is heel sterk. Vooral de grootouders hebben vaak nog veel gezag. De woonwagenvrouw stelt zich over het algemeen dienstbaar op. Zij is verzorgend bezig en voelt zich verantwoordelijk voor het welzijn van het hele gezin. De man is veel meer naar buiten gericht en onderhoudt de contacten met de burgersamenleving. Getrouwde mannen en vrouwen trekken veel minder met elkaar op dan dat in de burgersamenleving het geval is.
Jongens en meisjes groeien grotendeels gescheiden op. Als de kinderen in de puberteit komen, veranderen de gezagsverhoudingen sterk. Ouders laten hun kinderen vrij in hun doen en laten. Men ziet de kinderen vaak als jonge volwassenen. Meisjes worden al jong ingeschakeld in de huishouding en jongens gedragen zich als de vader. Beslissingen over de deelname aan het onderwijs worden vaak aan het kind zelf overgelaten.
Introuwen in de woonwagengemeenschap wordt sterk gestimuleerd om de woonwagenidentiteit en de traditie te handhaven en omdat gevreesd wordt voor de slechte invloed van de burgermaatschappij op de kinderen. Wanneer een jongen en een meisje één nacht samen wegblijven zijn ze volgens woonwagennormen getrouwd. De laatste jaren groeien de contacten met de burgersamenleving, waardoor steeds meer huwelijken met een burgerpartner worden gesloten.
Roma en Sinti
Roma en Sinti zijn van oorsprong waarschijnlijk afkomstig uit
India. Zij leven verspreid over de hele wereld en hebben een
eigen cultuur en taal. Veel Sinti wonen al eeuwen in ons land en
de meesten wonen in een wagen.
De Roma zijn afkomstig uit Oost-Europa. Een tijdlang trokken ze
door Europa en werden ze aan de landsgrenzen steeds terug
gestuurd. Om een einde te maken aan deze onhoudbare situatie
heeft Nederland in 1977 een groep Roma toegelaten en
gelegaliseerd.
Tussen de Roma en Sinti is er weinig contact. Ze houden altijd
een zekere afstand van de burgersamenleving, die gericht is op
het individu en vaste regels. Roma en Sinti daarentegen hebben
een meer spontane en op de familie gerichte levenswijze.
Ze onderscheiden zich van de burgersamenleving onder andere door
een eigen taal, het Romanes en de toepassing van een eigen
rechtspraak door de stamoudsten. Zowel de Roma als de Sinti
hebben een eigen taal. Elke subgroep spreekt een eigen dialect
dat vaak sterk afwijkt omdat door het 'gastland' de
woordenschat, uitspraak en grammatica sterk veranderden. De
afstand tot de burgersamenleving werd in het verleden versterkt
door de vaak repressieve maatregelen. Zo werden velen van hen
slachtoffer van de holocaust in de Tweede Wereldoorlog.
In hun gemeenschap is vader de autoriteit: hij regelt alles naar
buiten. Moeder heeft de leiding binnen het gezin. Kinderen
worden erg beschermd opgevoed. Zij worden bijna nooit alleen
gelaten in de burgermaatschappij: vooral meisjes worden tot op
15, 16-jarige leeftijd gehaald en gebracht door vader of een
oudere broer. Meisjes krijgen al jong, zo rond het tiende jaar,
een aantal plichten in de huishouding opgelegd, jongens zijn
meer autonoom. De kinderen groeien op jonge leeftijd als
vanzelfsprekend in de rol van volwassene.
Opvattingen over onderwijs
Woonwagenbewoners, Roma en Sinti denken niet allemaal hetzelfde over
naar school gaan. Er is dus absoluut geen sprake van een homogene
doelgroep. Wie probeert het schoolbezoek van de kinderen te
stimuleren moet met die verschillen rekening houden. In grote lijnen
zijn er vier groepen te onderscheiden. De navolgende typeringen zijn
ontleend aan een beschrijving uit de brochure ‘Onderwijs dat (zich)
onderscheidt’ van het Provinciaal Platform Woonwagenbewoners Utrecht
(Linschoten 1993).
Aansluiting
Een aantal woonwagenbewoners, Roma en Sinti ziet onderwijs, net als
de meeste burgers als een noodzakelijke investering in de toekomst.
Zij hopen dat hun kind later een baan zal weten te vinden. Aangezien
daar bijna altijd een opleiding voor nodig is, willen zij graag dat
hun kinderen een diploma halen. De kinderen van deze ouders volgen
zonder noemenswaardig verzuim het basisonderwijs en stromen meestal
met succes door naar het voortgezet onderwijs, sommigen ook naar
scholen voor mavo en havo. Toch hebben deze kinderen vaak het gevoel
dat ze extra, meer dan andere kinderen hun best moeten doen. Naar
hun idee moeten ze voor de school, maar soms ook wel voor hun
ouders, goed op hun gedrag letten, om te voorkomen dat ze als
woonwagenbewoner, Roma of Sinti in een negatief daglicht komen te
staan.
Kritisch
Andere ouders proberen hun leven zoveel mogelijk naar eigen inzicht
vorm te geven. Wat buitenstaanders daarvan vinden is hun zaak. Zij
zien onderwijs vooral als een vorm van ongewenste
overheidsbemoeienis. De school helpt hun kinderen niet verder, maar
pakt hen alleen maar dingen af, die voor woonwagenbewoners, Roma en
Sinti belangrijk zijn. Van de kinderen wordt vooral verwacht dat ze
zich volledig aan de burgers aanpassen. De ouders vinden dat daarmee
hun identiteit wordt belaagd. Natuurlijk, kinderen moeten leren
lezen en schrijven. Daar heeft de school een duidelijke functie.
Maar voor het overige achten de ouders zich heel goed, beter dan de
school, in staat hun kinderen te leren overleven in een samenleving,
die in hun ogen met het nodige wantrouwen tegemoet getreden moet
worden. Vanuit deze achtergrond kiezen deze kritische ouders ervoor,
meestal rond de overgang naar het voortgezet onderwijs, hun kinderen
thuis te houden en zelf in de leer te nemen.
Geven en nemen
Het standpunt van weer andere groep ligt eigenlijk tussen die van de
vorige twee groepen in. Ook deze ouders vrezen dat de school hun
kinderen langzaam maar zeker doet 'verburgeren'. Aan de andere kant
vindt men het onderwijs nuttig voor hun kinderen, bijvoorbeeld als
het gaat om het leren lezen en schrijven of voor praktische vakken.
Ze vinden echter dat (vooral het voortgezet) onderwijs weinig te
bieden heeft wat de kinderen in hun dagelijks leven kunnen
gebruiken. De lesstof is veel te theoretisch. Ook de praktische
vakken worden nog teveel 'uit het boekje' geleerd. Wat dat betreft
kunnen de kinderen toch het meeste leren van de ouders zelf.
Vertwijfeling
Een aantal woonwagenouders, Roma en Sinti heeft niet zo'n
uitgesproken mening over het onderwijs. Zij staan er in beginsel wel
positief tegenover, omdat zij hopen dat het onderwijs kan bijdragen
aan een betere toekomst voor hun kinderen. In elk geval een beter
leven dan dat wat zijzelf doormaken. Het gaat hier om een groep
mensen, die door de ontwikkelingen om zich heen de greep op het
eigen bestaan dreigt kwijt te raken of al is kwijtgeraakt. Door de
deconcentratie zijn vertrouwde sociale verbanden ruw losgescheurd,
waardoor zij geheel op zichzelf worden aangewezen. Hun kinderen
verzuimen het onderwijs dan ook regelmatig. Als ze wel op school
zijn kunnen ze zich slecht concentreren en veel van wat in de klas
gebeurt gaat aan deze kinderen voorbij. De wensen van deze ouders
richten zich niet zozeer op de inhoud van het onderwijs. Zij vinden
het belangrijker hoe er met hun kind wordt omgegaan. Zij willen dat
de leerkracht begrip toont voor de situatie en de achtergrond van
hun kind en daardoor voor zijn gedrag. Zij zouden betere contacten
met de school op prijs stellen, niet alleen als er problemen zijn.
Dan is het meestal al te laat.